Waar dient men voor een goed functionerende pendelophanging op te letten

Waar dient men voor een goed functionerende pendelophanging op te letten

Lengteveranderingen van leidingen door temperatuurveranderingen moeten niet worden onderschat. Daarom vormt het vakkundig plaatsen van glijbevestigingen voor de uitzettingsopname een belangrijke voorwaarde voor een veilige montage van leidingsystemen. Dat geldt ook voor pendelophangingen.

De optimale pendelophanging (A)

Bij een goed functionerende pendelophanging wordt de leiding omvat door een klem, die met een pendelophanger aan een draadstang is bevestigd. Het bovenste uiteinde van de draadstang wordt verbonden met een tweede pendelophanger, die stevig met een plug in het plafond is verankerd (afbeelding A). Zo wordt de uitrekking naar aanleiding van lengteveranderingen van de leiding optimaal in alle richtingen opgenomen. De maximale pendelafstand wordt begrensd door de lengte van de draadstang, die afhankelijk van de te verwachten lengte-uitzetting moet worden gekozen. De starre elementen, klem, moer en draadstang, worden minder belast dankzij de dubbele pendelophanging bij uitrekking van de leiding.

Wat wordt afgeraden (B)

Wanneer nu bijvoorbeeld om kostenredenen van de onderste pendelophanger wordt afgezien, gaat door de verminderde pendelafstand een belangrijk deel van de noodzakelijke flexibiliteit voor de uitzettingsopname verloren. Bovendien belasten de verschuivingskrachten vervolgens de draadstang evenals de montagedelen voor bevestiging van de klem. In een extreem geval kan dit leiden tot beschadiging of zelfs tot falen van het materiaal.

Wat men helemaal niet dient te doen (C)

Wanneer men bij het ophangen van leidingen aan een draadstang helemaal geen flexibele pendelophangers gebruikt, dan heeft men weliswaar een leidingbevestiging, maar die kan noch als betrouwbaar vastpunt en in geen geval als goed functionerende glijbevestiging worden aangeduid. Want een lengteverandering van de leiding kan nu helemaal niet meer worden opgenomen, de belasting wordt rechtstreeks overgebracht op het bevestigingsmateriaal en resulteert waarschijnlijk in een verbuiging van de draadstang (afbeelding C). De in de tabel voor dit geval vermelde pendelafstand is dus helemaal geen "pendel"-afstand meer, maar is slechts het resultaat van de verbuiging van het materiaal. In het ergste geval kunnen de krachten vanwege de lengte-uitzettingen leiden tot knikken of breken van de draadstang.

Getallenvoorbeeld

Wanneer men bij de tekeningen (A) tot (C) uitgaat van een constructie van een draadstang M10 en een pendellengte h=750 mm, dan wordt bij (A) met twee MÜPRO-pendelophangers een maximale pendeluitslag a van ca. 156 mm bereikt. Bij (B) met slechts één pendelophanger is dat alleen nog ongeveer 23 mm en bij (C) zelfs slechts ca.11 mm. Het opgenomen uitrekvermogen is daarmee van (A) tot (C) met meer dan 90% gedaald.